Instellingen

Afhankelijk van de vereisten, moeten de volgende parameters worden gecontroleerd en bijgeregeld.

Tabel 1. Parameterinstellingen

Code

Displaytekst

Advies

AP083

Toestel als master

Stel deze waarde in op Ja (1) voor het toestel dat de master is. Bij de volgtoestellen moet deze parameter worden ingesteld op Nee (0).

NP005

Startend toestel

Standaard is de hoofdketel (master) nummer 1, maar dit kan worden veranderd met deze parameter.

NP006

Startmethode casc.

Selecteer Traditioneel(0) of Parallel(1) regeling.

NP007

Tout parallel verw.

Stel de buitentemperatuur in die alle toestellen in cascade tegelijkertijd laat opstarten. Deze waarde wordt gewoonlijk ingesteld op 10 °C.

NP008

Nadraaitijd pri.pomp

Stel de minimale nalooptijd van de toestelpomp in. Dit wordt gewoonlijk ingesteld op 4 minuten.

NP009

Wachttijd bij/af

Stel de wachttijd in voor het opstarten of uitschakelen van de toestellen in een cascade. Dit wordt gewoonlijk ingesteld op 4 minuten.

NP010

Tout parallel koel

Stel de drempel buitentemperatuur in die elk toestel in de cascade tegelijkertijd laat opstarten in de koelingsmodus. Deze waarde wordt gewoonlijk ingesteld op 30 °C.

NP011

Type cascaderegeling

Selecteer het type cascadebeheer dat wordt gevraagd, op Temperatuur (0) of op Vermogen (1).

NP012

Tijd setp. halen

Stel de beschikbare tijd in tot de gewenste temperatuur wordt bereikt. Dit wordt gewoonlijk ingesteld op 1. Deze waarde wordt vermenigvuldigd met 10.

NP013

Pri.Pomp stop

De primaire pomp van de cascade kan dan geforceerd worden gestopt wanneer er een warmtevraag is in het secundaire circuit en niet in het primaire circuit. Stel deze parameter in op Ja (1) om de primaire pomp geforceerd te stoppen.

NP014

Cascade mode

Selecteer de juiste bedrijfsmodus van de pomp in cascade voor Verwarming (1) , Koeling (2) of Automatisch (0). In de Automatisch modus schakelt de cascade om tussen verwarmen en koelen.

AP111

Can-lijn lengte

Kies een waarde die minstens even groot is als de echte S-BUS kabellengte.